Spanning tussen moderne natie-staat en oemma
De wederopbouw van de moderne natie-staat in het Midden Oosten en Noord Afrika gaat moeizaam. Om maar het voorbeeld van de voortschrijdend politieke en religieuze conflicten in het Syrië te nemen: de Koerden worden op dit moment uit hun woonplaatsen verjaagd en in sommige gevallen uitgemoord. Het islamitische regime van na de val van Bashar Al Assad lijkt niet in staat rechtvaardigheid, veiligheid en vrijheid voor iedereen te garanderen. Koerdisch etnisch-nationalisme staat op en komt in botsing met de oemma, een model gebaseerd op de islam zoals het nieuwe regime propageert.
Hoewel Koerden moslims zijn lijkt hun nationalisme geïnspireerd op een modern Europees model met de neiging tot federalisme en democratie daar waar de aanhangers van de oemma een gesloten en totalitaire staat nastreven met weinig ruimte voor andersdenkenden. Maar waar komt modern nationalisme vandaan? Hieronder een korte reis door de tijd, van de Europese Renaissance tot de moderne natie-staat in het Midden Oosten en Noord Afrika met een kleine stop in Marokko.
De meeste historici denken dat het begin van modern nationalisme ergens in de late middeleeuwen moet liggen. De Franse historicus Louis Batifol (1865-1946) schrijft in zijn standaard werk “Le siècle de la Renaissance” (1947) dat politieke veranderingen in Frankrijk in de 16de eeuw zijn begonnen mede dankzij de herontdekking in Italië van ideeën uit de Oudheid.
Vergeten werken werden in boekvorm opnieuw gedrukt en gelezen. De Nederlandse historicus W. van Doorn schreef in zijn werk “Geschiedenis van het humanisme” (1991) dat het werk van vooraanstaande schrijvers en filosofen uit de Oudheid in West-Europa niet meer bekend of zelfs verloren zijn. Pas geleidelijk kwam er in de middeleeuwen steeds meer boven water; hetzij rechtstreeks doordat boeken en handschriften in de kelders van kloosters en bibliotheken werden ontdekt, hetzij indirect door de bemiddeling van de Arabische wereld.
Wat de Nederlandse historicus bedoelt met de Arabische wereld is vaag en verdient nader onderzoek. Wel staat vast dat Griekse filosofen naar de Arabische taal zijn vertaald door schrijvers met uiteenlopende afkomst zoals Avicennes uit Iran en Averroes (Ibn Roshd) uit Marokko. De Arabische taal was in de middeleeuwen een lingua franca die veel schrijvers van niet-Arabisch afkomst hebben gebruikt.
Met de ontdekking in West-Europa van kunst, filosofie en wetenschap uit de Oudheid kwam ook de herwaardering van de eigen taal en cultuur. In zijn werk “Histoire de l’art pendant la Renaissance” schreef Eugène Müntz (1845-1902) dat Bibiena een van de eerste schrijvers in Italië was die aandacht vroeg voor de moertaal van het volk: “De taal die God en de natuur ons heeft gegeven mag niet worden ondergewaardeerd of ten koste gaan van Latijn, Grieks of Hebreeuws. Onze taal is misschien niet zo inferieur aan andere talen zoals wij denken. Wij moeten het onderhouden met dezelfde ijver en zorg als de Grieken en andere volkeren doen”. Hij gaat een stuk verder: “Het is onwaardig om de eigen taal te verwaarlozen. Ik weet dat mijn moedertaal mij dierbaar is en zal het niet inruilen voor andere talen”.
De Franse dichter Jacques Pelletier schreef in 1547 een pleidooi over de moedertaal in zijn land waar geleerden tot dan toe in Latijn schreven:
Ik schrijf in mijn moedertaal
En tracht die te waarderen
Opdat ze eeuwig leeft
Zoals de ouden hebben gedaan
Ongelukkig zijn zij die
De eigen taal verwaarlozen
En ondergeschikt stellen
Grieks en Latijn zijn fameus
Waarom doen wij niet als zij
Opdat wij ook eeuwig leven?
De periode na de Ranaissance stond in West-Europa in het teken van de opbouw van wat de Britse historicus E. J. Hobsbaum (1917-2012) de moderne natie-staat noemde. In zijn werk “Natie en nationalisme sedert 1780” schrijft hij dat de natie-staat vanaf de achttiende eeuw een breed gedragen opvatting werd.
Het Europese idee dat de natie-staat de hoogste vorm is van sociale organisatie, begon vanaf de 19de eeuw de rest van de wereld te veroveren. Moslim diplomaten, studenten en reizigers die Europa bezochten hebben direct of indirect over de inrichting van de moderne staat geschreven. Ze beschreven de zegeningen van de boekdrukkunst, het parlement, de pers, het onderwijs, de industrie, de organisatie van de arbeid en de positie van vrouwen.
In tegenstelling tot West-Europa waar de herwaardering van cultureel erfgoed uit de Oudheid algemeen was werden oude werken in Marokko van voor islam gezien als een terugkeer naar het tijdperk van heidendom. Instellingen, onderzoeken, archeologische vondsten en publicaties over de geschiedenis van het land van voor de opkomst van de islam werden na 1956 gestaakt. Amazigh literatuur en taal werden gecensureerd. Tot op vandaag liggen archiefstukken van voor de islam in kelders te wachten om herontdekt te worden. Maar op scholen en universiteiten worden paradoxaal genoeg wel poëzie en geschiedenis van Arabië van voor de islam onderwezen.
Dat is ook in Algerije gebeurd waar de oelema’s (schriftgeleerden) in een artikel uit 1948 schrijven dat de nationale geschiedenis met de opkomst van de islam is begonnen. Wat daarvoor lag is heidendom. De nationale identiteit werd beperkt tot de slogan “Algerije is mijn land, Arabisch is mijn taal, islam is mijn religie”. Hiermee werd de Amazigh identiteit van het land ontkent. Dat heeft na de onafhankelijkheid tot een opstand in regio Kabylië geleid.
Deze benadering van de geschiedenis bestaat ook in het Midden Oosten. De regio werd na de Tweede Wereldoorlog als Arabisch opgeëist terwijl er nog meer volkeren zijn zoals de Koerden wiens aanwezigheid uit de geschiedenisboeken werd verwijderd. De val van de Baath partij in Irak in 2003 en in Syrië in 2024 heeft daar geen verandering in gebracht.
Het Midden Oosten was tot 1924 onderdeel van de Ottomaanse rijk. De opkomst van modern Arabisch nationalisme heeft de verhoudingen tussen Arabisch en niet-Arabisch op de kop gezet. De eerste nationalisten wisten niet wat ze moesten doen met volkeren, talen en culturen van niet-Arabisch afkomst.
Aan de ene kant wordt de superioriteit van de Arabische taal en etniciteit op school, in de media en in de moskee verkondigd. De nieuwe natie-staat wordt gepresenteerd als een voortzetting van de oemma waarin Arabisch en islam centraal staan. Om beschuldigingen van imperialisme, kolonialisme en racisme te weerleggen worden verzen uit de Koran geciteerd: “De verschillen in taal en huidskleur zijn een teken van de grootheid van de schepping van Allah”. In een andere citaat van de profeet wordt de nadruk gelegd op gelijkheid tussen zwart en wit, Arabisch (عرب) en niet-Arabisch (عجم). Maar het verandert in de praktijk niets aan het lot van niet-Arabische volkeren in de regio.
In Marokko is de eerste uiting van modern Arabisch nationalisme waarschijnlijk voor het eerst in Fes in 1930 na de Dahir Berbere gedocumenteerd. Het werd verder aangewakkerd na een bezoek aan Tetouan en Tanger door de Libanees Chakib Arslan (1869-1946). Hij was mogelijk in dienst van Nazi-Duitsland. Hitler gebruikte Arabisch nationalisten uit het Midden Oosten zoals de mufti van Jerusalem om de Britse en de Franse kolonies in de regio te destabiliseren. Maar er is nog weinig bekend over de werkzaamheden van Chakib Arslan buiten zijn land omdat de archieven nog altijd gesloten zijn.
Marokko had verder met Arabisch nationalisme te maken na het conflict om de Sahara na 1975. Gesteund door nationalistische regimes als Algerije en Libië onder Kadhafi, verklaarde Polisario via de radio vanuit Algerije een eigen Arabisch republiek los van Marokko, een land dat volgens Mahjoub Tobji in zijn memoires “Officiers de sa Majesté” (2006), wordt beschouwt als het land van Chleuh (Berbers). Tobji was secretaris van Ahmed Dlimi, Colonel van de Marokkaanse strijdkrachten in de jaren 1970.
Polisario medeoprichter Bachir Dkhil heeft in een recent interview verteld dat het panarabisme de oorzaak was van de opzegging van zijn lidmaatschap. Hij keerde in 1992 terug naar Marokko. Een soortgelijke conslusie is te lezen in de biografie “25 ans dans les geoles de Tindouf : Mes mémoires de prisonnier de guerre” van Marokkaanse piloot Ali Najab (1947-2024). Hij was tussen 1978 en 2003 gevangenen geweest in de kampen van Polisario.
Kortom, tussen het ontstaan van modern nationalisme in Europa vanaf de Renaissance tot de falende natie-staten in het Midden Oosten en Noord Afrika in de 20ste eeuw zit een periode van vijf eeuwen waarin de regio, behalve Marokko, onder Ottomaans bestuur was. De val van het kalifaat in 1924 betekent in de ogen van groepen als de in 1928 opgerichte Moslim Broederschap - waarvan IS de extreme en gewapende tak van is - een einde van de islam als staat. Dat is wat men probeert te herstellen in de vorm van een nieuwe oemma. Maar dat gaat ten koste van andere groepen in de regio.
Afbeelding: oude foto van Koerdische mannen. Bron: Emergence of Kurdish Nationalism, 2023.