Een essay: wat is er nodig om vrij te zijn?
Wat is er nodig om vrij te zijn? Wordt individuele vrijheid bij de geboorte meegegeven of is dat iets wat je eerst moet leren bereiken? Filosoof Jean-Jacques Rousseau (1712-1776) heeft meer dan twee honderd jaar geleden deze vraag gesteld. Hij kwam tot de conclusie dat “de mens vrij is geboren maar alom is geketend”. Deze uitspraak heeft veel mensen over de hele wereld geïnspireerd om een vrije en democratische samenleving na te streven. Pas laat in de twintigste eeuw besefte men dankzij nieuwe inzichten dat er meer nodig is om als individu vrij en autonoom te leven.
Ondanks de vele beperkingen leveren nieuwe disciplines als neurobiologie en genetica steeds meer inzichten op in de menselijke identiteit. Ze leveren basale elementen om de keuzes te begrijpen die mensen maken in hun leven. De diepste religieuze gevoelens bij de mens zijn zeer oud maar nog altijd niet goed begrepen. Er is hoop dat genetica ooit zal bijdragen aan het begrijpen van hedendaagse problemen zoals de keuze voor extremisme en geweld.
Zou bijvoorbeeld de neiging tot extremisme erfelijk zijn? Waarom worden sommige bevolkingsgroepen tot fanatisme aangetrokken en anderen niet? De vraag wordt nog moeilijker te beantwoorden als het gaat om het verklaren van iemands temperament, talent of geestelijke aanleg. De externe invloeden van omgeving, opvoeding, ervaring en individuele ontwikkeling worden hier buiten beschouwing gelaten.
Volgens de Poolse schrijfster Eva Hoffman, auteur van “Lost in Translation. A Life in a New Language”, is vrijheid niet vanzelfsprekend. Je kunt niet zomaar vliegen zodra je geboren bent. Je moet nog eerst vleugels ontwikkelen voordat je begint met leren vliegen. Vrijheid begint eerst met leren leven als een vrij mens. Dat begint met kritisch nadenken over sociale verbanden, over de oude en krachtige loyaliteit aan groepen.
Tegenover het warme bad van de groep, de stam, de familie, de samenleving, de natie ... zijn er eisen om het eigen leven te leiden. Als mensen een keuze moeten maken, dan kiezen ze over het algemeen voor het eerste. Ze kiezen voor het warme bad binnen de groep. Ze kiezen voor de zekerheid, voor de geborgenheid en voor de veiligheid. De belofte van de individuele vrijheid blijft lonken maar blijkt in de praktijk een leeg, kil en onbewoond eiland vergeleken met de stevige structuur van de groep. De ultieme ervaring van individuele vrijheid is dus niet te bereiken zonder hechtingstrauma.
Er is altijd een noodzaak van structuur op elk denkbaar niveau van het bestaan. Het verlangen naar het warme bad van de groep is sterk omdat de wereld daar buiten die structuur niet biedt.
Het eiland waar je als individu terecht komt na het verlaten van de groep, de religie of de familie is leeg. Het heeft geen infrastructuur. Je moet nog alles zelf inrichten. Vandaar het verlangen om terug te keren naar de solidariteit van de groep. Echter het verlangen naar individuele vrijheid blijft, net als het vurig verlangen om diezelfde vrijheid in te ruilen voor de dwang en de uniformiteit van de groep.
Dat is de reden waarom onder de juiste omstandigheden autoritaire regimes veel gewillige volgelingen krijgen. Sigmund Freud (1856-1939) begreep dit fenomeen toen hij tussen de twee wereldoorlogen schreef over de grootschalige identificatie van Europese volkeren met sterke en charismatische leiders. Men verkiest zichzelf te verliezen in de grote leider. De leider is de vergrote geïdealiseerde versie van het eigen zwakke en onzekere IK. Een gefrustreerde en verwarde groep zal zich snel overgeven aan collectieve razernij. Het verlies van persoonlijke identiteit, van het vermogen tot zelfstandig nadenken, zelf oordelen en zelf beslissen, dat vindt men niet erg. Dat laat men over aan iemand anders die verlossing en zekerheid belooft.
Islamitische extremisten zijn de beste psychologen van onze tijd. Ze weten wat de moslim massa voelt en hoe die in beweging en onder controle kan worden gebracht. Extremisten hebben zelf niets nieuws uitgevonden. Ze maken gebruik van reeds aanwezige symbolen, structuren en systemen. Het enige wat ze doen is symbolen, structuren en systemen van betekenis voorzien. Ze vertegenwoordigen de oudste poging van de mens om de betekenis van de wereld te doorgronden en te beheersen. Ze herhalen wat ze in boeken lezen en koppelen de betekenis ervan aan hedendaags problemen waar moslims mee worstelen. Ze bieden de verlossing uit de pijn van vragen stellen over en antwoord vinden op complexe morele problemen van het moderne leven.
Een volgeling van een religie ziet zichzelf als verlost omdat hij of zij niet langer hoeft na te denken over goed en kwaad, over juist of verkeerd. Het feit dat het individu niet langer hoeft na te denken, zelfstandig vragen te stellen en die te beantwoorden, heeft ertoe bijgedragen dat het individu overbodig is gemaakt. Religie is de oplossing voor alles en voor iedereen. Er is al een lijst van haram en van halal. Je hoeft daar zelf niet meer over na te denken. Dat biedt morele codes, richtlijnen en leefregels. Vandaar dat een gelovige zich in religie vrij voelt terwijl een ongelovige religie juist ervaart als een vorm van onderdrukking.
De meeste mensen in Nederland worden steeds minder religieus. Dat was vroeger anders. Atheïsme was in Europa tot het einde van de 19de eeuw ondenkbaar. Men zag atheïsme als een vorm van misleidende filosofie. Het kwam vooral voor bij geleerden, filosofen, intellectuelen, kunstenaars en schrijvers. Het gewone volk was vroom, de kerken waren vol en de bijbel werd aan het begin van de lessen op school gelezen. Door de ontwikkeling van wetenschap, kunst en cultuur zijn mensen seculier geworden. De islam heeft een soortgelijke ontwikkeling niet meegemaakt. Er is geen wetenschappelijke revolutie geweest. Sterker nog: wetenschap en filosofie worden nog altijd gewantrouwd omdat ze vragen oproepen over de grondslagen van religie en het nut ervan. Daarom was filosofie in Marokko decennia lang uit de schoolboeken verbannen.
Het feit dat er lange tijd geen wetenschap of filosofie werd beoefend, wil niet zeggen dat er niet meer werd nagedacht, gedebatteerd en geschreven. Er zijn altijd twijfelaars geweest. Het verschil met onze tijd is dat ze zich niet meer hoeven te verbergen. Dankzij modern onderwijs, communicatiemiddelen, migratie en globalisering komen steeds meer moslims in aanraking met andere ideeën over geloof en vrijheid van denken. Aanhoudende negatieve aandacht in de media voor geweld in naam van islam heeft het debat hierover versneld. Het aantal twijfelaars blijft groeien. Zo ook de behoefte om de islam te begrijpen.
Een gevolg van dit fenomeen is dat mensen die voor islam kiezen steeds meer activistisch worden. Ze zijn gedwongen hun geloof te verdedigen in een zee van afvalligheid en twijfel. Ze voelen de druk van de seculiere wereld om zich heen. Islam leeft voort dankzij deze activistische voorhoede die het voortouw neemt om uit te leggen hoe de rest van de gelovigen moet denken en leven. Hierbij zijn sommige bereid om ver te gaan. Fanatisme, haat en soms ook geweld zijn aan de orde van de dag. Slachtoffers van hun geweld zijn vrijwel altijd moslims. Dat was in het verleden niet anders. Ernst Renan, de Franse historicus heeft dit fenomeen in de 19de eeuw als volgd verwoord na zijn bezoek aan het Midden Oosten:
“De eerste slachtoffers van de islam zijn de moslims zelf. Tijdens mijn vele en lange reizen in moslim landen heb ik gezien hoe religieus fanatisme van een kleine maar gevaarlijke groep komt. Ze houden de rest van de moslims bezig met geloof door middel van terreur en intimidatie.” (2)
De voorhoede van de islam houdt zo de rest bezig met geloof. Het waakt over de strikte toepassing van de leefregels. De meerderheid zwicht voor die intimidatie. Men doet mee om met rust te worden gelaten. Soms worden er vragen gesteld over de morele autoriteit van de voorhoede. In de meeste gevallen leiden de twijfels niet tot het definitief verlaten van de islam. Men blijft liever in het warme bad van de groep. De enkelingen die durven, staan er alleen voor. Dat zijn de vrijdenkers, de twijfelaars, de ex-moslims, de ongelovigen, de verstotenen en de bebloede hoofden van de islam.
Maar ook almachtige religieuze dogma’s wankelen. Ze komen onder druk te staan en verliezen hun scherpe kanten. In zijn artikel “Failed Dream of Political Islam” (Monde Diplomatique, november 2018) constateert schrijver Hichem Alaoui dat de focus binnen de islam sinds de opkomst van islamitische bewegingen in de afgelopen honderd jaar niet langer op de religieuze ervaring ligt zoals in vroegere tijden maar op het verzet tegen elke vorm van culturele invloed uit het Westen. Islam wordt gebruikt om zich te differentiëren van de ander.
Om de intolerantie binnen de islam jegens andersdenkenden te begrijpen, kun je volgens de schrijver het beste de rigide structuur bestuderen van de hedendaagse islamitische bewegingen zoals de Moslim Broederschap. In tegenstelling tot vroegere eeuwen is het in onze tijd niet langer wenselijk na te denken over de ontwikkeling van je eigen identiteit als moslim individu. Er zijn geen filosofische debatten meer over geloof zoals aan het begin van de islam. Het debat is reeds beslist en gesloten. Vragen stellen over geloof leidt tot ongeloof, dat mag niet.
Vrijwel ieder nieuw lid van de religieuze broederschappen wordt actief aangemoedigd om personen en groepen in de samenleving te identificeren. Een 12-jarig kind kan zijn mobiele telefoon gebruiken om naar de politie te bellen als je tijdens ramadan overdag eet en drinkt, als je als vrouw op straat met een onbekende man staat te praten of als je een joodse buurman gedag zegt.
Op social media wemelt het van jeugdige, onbevoegde imams, bevlogen predikers, hijgende en fanatieke roeptoeters en trollen. Geprogrammeerde robots slingeren 24 uur per dag 7 dagen per week oneindig veel religieuze teksten het internet op. Je krijgt het onder je neus geduwd, of je het wilt of niet. Of je denkt en leeft zoals wij, de ware moslims, of je bent tegen ons en dus tegen de islam. Religie is een instrument geworden om mensen te controleren en uiteindelijk te knechten.
Ik hoor u al denken: maar als islam zo dwingend is zonder enige vrijheid om zelfstandig na te denken, waarom zijn dan zoveel mensen nog altijd trouw aan dit geloof? De vraag is al zo vaak gesteld en de meeste antwoorden komen uit het verleden. Maar dat volstaan ook niet langer. Het volstaat niet langer om net als de Europese atheïsten uit het begin van vorige eeuw te beweren dat religie opium voor het volk is, een vorm van bijgeloof waaruit je iemand kunt bevrijden door de kracht van de reden of wetenschappelijk bewijs. Religie is nog steeds opium maar is ook meer dan dat. Het is ook een antwoord op veel vragen. Het is het bewijs dat er behoefte is aan antwoorden op vragen waarop de moderne samenleving geen antwoord geeft. Religie is zoals Eva Hoffman zei “een geruststellend en betrouwbaar bouwwerk van opvattingen, morele richtlijnen en symbolische betekenissen”. Een warm bad, wie wil dat niet?
Maar waar is de plaats van de vrijdenker? Wat kan de vrijdenker doen om zich staande te houden in een samenleving met veel tegenstellingen ? Een paar voorstellen zijn mogelijk waarbij de hoop op de nieuwe generatie wordt gevestigd. Leer kinderen vanaf jonge leeftijd nadenken en filosoferen. Filosofie is net als in de eerste eeuwen van de islam voordat het verboden werd, een instrument om anders naar de wereld te kijken. Vragen durven stellen voorkomt de vorming van bekrompen mentaliteiten. Filosofie vergroot het vermogen tot waarneming en reflectie. Het stimuleert logisch nadenken en leert coherent argumenteren. Dat is de basis om een beschaafd gesprek te voeren. Onmisbaar voor het functioneren in een democratie.
Toen Jean-Jacques Rousseau over individuele vrijheid dacht was zijn eeuw net als onze tijd vol religieus en politiek geweld. Hij schreef dat de mens vrij wordt geboren. We weten nu dat die vrijheid niet vanzelfsprekend is, maar wordt verkregen door voor jezelf op te komen.
Maar dat heeft alleen meerwaarde als je voor vrijheid vecht in een gemeenschap die hetzelfde nastreeft. Of zoals Eva Hoffman schreef: “Vrijheid is nooit onbegrensd en wordt niet zonder inperkingen geboren. De keuze van het individu – de persoonlijke uitdrukking van vrijheid – kan alleen betekenis krijgen in een gemeenschappelijke cultuur en context. Pas wanneer wij weten wat voor ons belangrijk is – als samenleving en als individu – zijn wij in staat keuzes te maken die werkelijk verantwoord zijn, en vrij.”
Afbeelding: uit een gedichtenbundel van de Marokkaanse schrijver Abdellatif Laabi verschenen na de aanslagen in Parijs in januari 2015. J'atteste (Ik verklaar) zijn korte maar essentiële gedichten over hoop in tijden van wanhoop.